Leerprocesbegeleiding op stage bij verpleegkunde en vroedkunde
Algemene info
Bij leerprocesbegeleiding ligt de nadruk op begeleid zelfstandig leren. De student bepaalt zelfstandig zijn eigen leerdoelen en bereidt zich voor op zijn stageperiodes. Aan het einde van de stage evalueert de student zichzelf en bepaalt hij nieuwe leerdoelen voor zijn volgende stage.
De begeleiding die een student krijgt, is gericht op het totale leerproces van de student. De praktijklector (docent uit de hogeschool) en de mentor (verpleegkundige uit het werkveld) ondersteunen de student in zijn leerproces. De praktijklector heeft regelmatig een begeleidingsgesprek met de student en de mentor begeleidt de student tijdens zijn stageactiviteiten.
Vroeger volgden de praktijklectoren de studenten tijdens de verzorging van de patiënt en bespraken dan het functioneren van de student. Dit noemen we het systeem van werkbegeleiding . Nu wordt deze werkbegeleiding hoofdzakelijk overgenomen door de stagementoren of verpleegkundigen op dienst. De taak van de praktijklector ligt nu veel meer op het begeleiden van het totale leerproces van de student , aan de hand van de persoonlijke leerdoelen, leerstrategieën en zelfevaluaties van de student. De bedoeling is om het zelfsturend vermogen van de student te verhogen. Ook probeert men meer een zicht te krijgen op alle aspecten van het functioneren. Attitudes, opvattingen, gevoelens en motivatie moeten ook aan bod komen in de begeleidingsgesprekken.
De student moet, na de stages verpleeg- en vroedkunde, blijk geven van het verwerven van de volgende competenties.
Op het vlak van attitudes:
- zijn verantwoordelijkheid opnemen (gewetensvol zijn, iemand zijn op wie men kan rekenen, betrouwbaar en eerlijk zijn, verantwoordelijkheid opnemen voor fouten);
- een opgestarte activiteit tot een goed einde brengen;
- een goede sociale ingesteldheid tonen (vriendelijk, vlot, behulpzaam, samenwerken,
- assertief zijn, respect opbrengen voor de mening en gevoelens van anderen);
- oordeelkundig handelen volgens de regels en de afspraken in een organisatie;
- een verzorgd uiterlijk hebben (kleding, haartooi, taalgebruik,);
- op een beheerste wijze omgaan met eigen emoties;
- constructief reageren op feedback;
- initiatief nemen bij het leren van nieuwe zaken;
- het beroepsgeheim respecteren.
Op het vlak van kennis en inzicht:
- kennis en inzicht hebben die nodig is voor het professioneel verpleegkundig handelen;
- kennis en inzicht hebben in de werking van de dienst en instelling.
Op het vlak van sociale en communicatieve vaardigheden:
- een gesprek doelgericht en professioneel uitvoeren;
- een duidelijke gespreksstructuur aanhouden i.f.v. het te bereiken doel;
- deelvaardigheden van communicatie toepassen;
- vlot contact opnemen;
- teamgericht werken.
Op het vlak van systematisch verpleegkundig handelen:
- de voorbereiding systematisch en zelfstandig doen;
- de zorgbehoefte(s) herkennen en doelstellingen bepalen;
- een planning doelgericht, logisch en goed gestructureerd opbouwen;
- de handelingen vakkundig, doelgericht en efficiënt uitvoeren;
- de handelingen met aandacht voor de zorgkwaliteit uitvoeren;
- een vlot werktempo hebben, aangepast aan de omstandigheden;
- de handelingen rekening houdend met de randvoorwaarden (ergonomie, comfort, economie en ecologie) uitvoeren;
- een correcte, verzorgde, relevante en ethisch verantwoorde verslaggeving opstellen, zowel mondeling als schriftelijk;
- het eindresultaat terugkoppelen naar het verpleegproces;
- het eindresultaat beoordelen;
- kunnen reflecteren op eigen beroepshouding als zorgverlener.
Op het vlak van metacognitieve vaardigheden:
- zelfstandig eigen sterke en zwakke punten formuleren, die aansluiten bij de realiteit;
- volledig zelfstandig een leerplan opmaken dat voldoende concreet en haalbaar is;
- het eigen leerproces uitvoeren en bewaken.
Op het vlak van de uitwerking van de schriftelijke stageopdrachten:
- de relevante gegevens behandelen (in functie van doel van de opdrachten);
- de geselecteerde gegevens analyseren, interpreteren en synthetiseren;
- de opdracht goed en logisch structureren;
- een verzorgd taalgebruik hebben;
- de opdracht van een verzorgde lay-out voorzien.
Werkvorm
De student maakt tijdens de verpleeg- en vroedkundestages volgende leeractiviteiten door:
Tijdens de stagevoorbereiding (op school):
- de student moet de aangeleerde verpleegkundige of vroedkundige interventies in studeren én in oefenen in het vaardigheidscentrum zodat hij voorbereid op stage komt;
- de student verzamelt informatie over de stageplaats;
- de student leest vooraf de schriftelijke opdrachten;
- de student noteert begindoelstellingen op het formulier leerprofiel (zie steekkaart 'Leerprofiel van de student') en maakt hierbij onderscheid tussen doelstellingen op het vlak van kennis, vaardigheden en attitudes. De student bepaalt zijn leerstrategie;
- de student overlegt met de docent en verfijnt de opgemaakte begindoelstellingen en planning.
Tijdens het eigenlijke stagegebeuren:
- de student deelt zijn doelstellingen en planning mee aan de stagementor;
- de student realiseert zoveel als mogelijk oefensituaties;
- de student noteert op het leerprofiel (zie steekkaart 'Leerprofiel van de student') zijn sterke en zwakke punten, op het vlak van kennis, vaardigheden en attitudes;
- de student noteert op het leerprofiel de feedback die hij/zij van de mentor krijgt;
- de student verwerkt de feedback van de praktijklector in het leerprofiel in het uitwerken en bijsturen van de leerdoelen;
- de student formuleert nieuwe doelstellingen, waarvoor hij andermaal een actieprogramma uitwerkt.
Bij de afsluiting van de stage:
- de student evalueert zichzelf aan de hand van dezelfde criteria als stagementoren/verpleegkundigen en praktijklectoren;
- de student formuleert op het einde van de stage nieuwe leerdoelen voor de volgende stage.
Leermiddelen
Leerprofiel van de student
Het leerprofiel van de student is een werkinstrument dat weergeeft wat de leerdoelen zijn waar de student aan werkt en wat de student onderneemt om deze te bereiken per stageperiode.
Lijst van verpleegkundige en/of vroedkundige interventies
Deze lijst bevat een opsomming van de verpleegkundige en/of vroedkundige interventies die als praktijkdoelen vooropgesteld worden.
Het werkschrift
Dit persoonlijk werkschrift van de student bevat de aantekeningen die de student maakt bij het reflecteren over de stage-ervaringen. Het is een werkinstrument om begeleidingsgesprekken voor te bereiden, of om persoonlijke ervaringen of inhoudelijke zaken te bewaren. Ook tijdens de leergesprekken kunnen aantekeningen worden gemaakt.
Opdrachtenbundel
De opdrachtenbundel bevat een reeks stageopdrachten. De inhoud van deze bundel verschilt volgens basisopleiding, studiejaar en optie.
Deze opdrachten zijn voor de student een handleiding om leerdoelen te formuleren . Het is niet de bedoeling dat elke opdracht wordt uitgewerkt in één stageperiode. De keuze van wat wordt uitgewerkt, wordt gedeeltelijk overgelaten aan de student zelf, in overleg met de praktijklector en in functie van de leerdoelen. Per studiejaar en per stagediscipline (bijvoorbeeld interne, geriatrische, kinderverpleegkunde, etc.) wordt wel een minimum aan schriftelijk uit te werken opdrachten opgelegd.
Hierbij zal rekening worden gehouden met:
- de leermogelijkheden van de student;
- het aanbod op de afdeling;
- concrete mogelijkheden op vlak van begeleiding en mentorenwerking;
- eventuele andere prioriteiten.
De nadruk ligt in de stages verpleeg- en vroedkunde op begeleid zelfstandig leren . De student moet het leerproces zelf in handen nemen. Voor de begeleiding kan de student rekenen op een praktijklector en een mentor.
Praktijklector
De praktijklector is een docent van de school die de student begeleidt. Hij heeft de volgende taken:
-
tijdens de stagevoorbereiding:
- begindoelstellingen van de student bespreken en bijsturen of studenten helpen bij het formuleren van uitdagende en haalbare leerdoelen.
-
tijdens de stage:
- vorderingen van de student nagaan;
- doelen nagaan en bijsturen;
- indien wenselijk, tussentijdse evaluatie doen;
- indien nodig, aan werkbegeleiding doen (bijvoorbeeld bij probleemstudenten);
- feedback geven.
-
afronding van de stage:
- een oordeel uitspreken over het leerproces en het bereikte resultaat. Dit gebeurt aan de hand van het leerprofiel, de zelfevaluatie van de student, de evaluatie van de mentor, de schriftelijke verslaggeving en de leergesprekken.
Na het afrondingsgesprek tussen student, stagementor en praktijklector vult de praktijklector de evaluatiefiche van de praktijklector in. De student heeft inzage in deze fiche en de leerpunten worden besproken. Op het einde van het academiejaar worden de scores op deze fiches overgenomen op de synthesefiche.
Mentor
Mentoren zijn verpleegkundigen van het werkveld die zich formeel engageren om de student te helpen bij zijn stageactiviteiten.
Hun taak bestaat erin om de student op te vangen en wegwijs te maken op de afdeling. Zij helpen de student bij de praktische uitvoering van de verpleegkundige of vroedkundige interventies en leeropdrachten en stellen zo hun deskundigheid ten dienste van de student.
- samenwerken met de student (= werkbegeleiding);
- mondelinge feedback geven aan de student, de student noteert dit, de stagementor ziet dit na;
- de stagementor scoort tijdens de laatste stageweek de student op het domein van kennis en inzicht, communicatievaardigheid, verpleegtechnische vaardigheid, attitudes, metacognitieve vaardigheid;
- bespreken van de score samen met de student en de praktijklector.
De evaluatie van de stages verpleegkunde en vroedkunde, gebeurt op het einde van elke stageperiode. Gedurende elk studiejaar zijn er meerdere stageperioden van minimum 4 weken, gespreid over diverse deeldisciplines van de verpleegkunde of vroedkunde. De volgende evaluatie-instrumenten worden gebruikt bij de evaluatie van de stageperiodes:
1. Evaluatiefiche van de mentor (= verpleegkundige van het werkveld)
Hierop kent de mentor een functioneringsniveau toe op het vlak van kennis en inzicht, sociale en communicatieve vaardigheden, systematisch verpleegkundig handelen, attitudes en metacognitieve vaardigheden. Het functioneringsniveau varieert van 1 (=alarmsignaal), 2 (=leerpunt),3 (=normniveau) tot 4 (=uitmuntend). Indien de mentor niet over voldoende gegevens beschikt, wordt de categorie nvt of niet van toepassing omcirkeld. De mentor kan ook toelichtingen of voorbeelden geven ter illustratie van het beoordelen van het functioneringsniveau.
2. Evaluatiefiche voor de praktijklector (=docent die de student begeleidt)
De fiche en te beoordelen functioneringsniveaus zijn dezelfde als die van de mentor. Er is wel een bijkomende rubriek: de beoordeling van de uitwerking van de schriftelijke opdracht. In totaal zijn er 35 items waarop men een score (variërend van 1 tot 4) kan bekomen.
3. Zelfevaluatiefiche van de student
De student beoordeelt zijn eigen functioneren op stage aan de hand van dezelfde fiche als de mentor. Deze zelfevaluatie wordt tijdens het afrondingsgesprek besproken en vergeleken met de evaluatie van de mentor en de lector.
4. Handleiding stage evaluatie
Om de evaluatiefiches op een zinvolle manier te kunnen invullen en betere evaluatiegesprekken te voeren, is er eenhandleiding stage evaluatie opgesteld. Deze handleiding beschrijft de te beoordelen items. Deze zijn onderverdeeld in zes groepen m.n.:
- kennis en inzicht;
- sociale of communicatieve vaardigheden;
- systematisch verpleegkundig handelen;
- attitudes;
- metacognitieve vaardigheden;
- uitwerking van de schriftelijke stageopdrachten.
De omschrijvingen van de diverse competenties die een student stelt tijdens de stage zijn ondergebracht in een vier-puntenschaal : (1) alarmniveau, (2) leerpunt, (3) normniveau, (4) uitmuntend.
Student, mentor en praktijklector raadplegen deze handleiding bij het invullen van de evaluatiefiches. Elk niveau wordt met woorden en zo concreet mogelijk omschreven.
5. Synthesefiche
De scores op de 35 items voor alle stages van 1 academiejaar worden op een synthesefiche genoteerd. De functioneringsscores op de synthesefiche worden omgezet in punten op het einde van het academiejaar. Op basis van eenstagedeliberatie met alle betrokken praktijklectoren en op basis van zo goed mogelijk omschreven deliberatiecriteria wordt een gezamenlijke eindbeslissing genomen over het totaal van de behaalde punten voor stage. Een positieve evolutie van de student doorheen het jaar wordt als een pluspunt beschouwd.
Ook hanteren we de afspraak dat we de functioneringsscores op attitudes niet omzetten in punten. Attitudes zijn nochtans van groot belang in de opleiding en moeten zeker tijdens de stageperiodes worden besproken. Attitudevorming is zeer nauw verbonden met de persoonlijkheid van de student , die zich nog volop aan het ontwikkelen is. Attitudes spelen ook een fundamentele rol bij het verwerven van beroepsgebonden competenties , maar bevatten tegelijkertijd zoveel subjectieve factoren dat we dit niet in een beoordelingscijfer willen omzetten. Bij de beoordeling op het einde van het jaar richten we ons op het resultaat van competent gedrag, en niet op het proces. Een student met een goede attitude kan al dan niet de doelstellingen bereikt hebben. Een ongepaste attitude willen we sanctioneren aan de hand van observeerbare tekorten aan vaardigheden, kennis en inzicht.
Reflectie BV medewerkers:
Het is interessant om op te merken dat de attitudes wel worden besproken en worden gescoord (op een vierpuntenschaal) tijdens het vormingsproces, maar dat die niet gequoteerd worden tijdens de eindevaluatie. Dit gebeurt zo omdat attitudes niet objectief meetbaar zijn. Attitudes worden wel indirect beoordeeld; tekorten in attitudes vertalen zich in tekorten in de beroepsgebonden kennis en vaardigheden, die dan wel een weerslag hebben op de quotering.
Reflecties Studenten:
Indien alle partijen de voorgeschreven regels volgen, zijn de meeste studenten tevreden. Slechts enkele studenten zouden liever hebben dat de docent van de school aan werkbegeleiding doet (= samenwerken met de student in een reële situatie).
Reflecties Docent:
Vorig jaar werd een enqute uitgevoerd over het nut en de wenselijkheid van de stagevoorbereiding aan de hand van leerdoelen. Alle praktijklectoren waren unaniem overtuigd van de wenselijkheid. Wel waren er vragen naar de haalbaarheid.
Op praktisch organisatorisch vlak is het niet zo gemakkelijk om vooraf een begeleidingsgesprek met studenten te hebben. Ook blijkt dat studenten niet altijd in staat zijn om passende leerdoelen te stellen. Vooral eerstejaarsstudenten en zwakkere studenten moeten hierbij extra begeleid worden. Praktijklectoren voelen zich soms ook nog onwennig op het vlak van begeleidingsvaardigheden.
Ondanks de weerstand van enkele lectoren heerst er nu een grote tevredenheid met de nieuwe stagebegeleiding.
Sommigen zijn wel bang om hun eigen professionaliteit als verpleegkundige of vroedvrouw te verliezen, doordat ze zelf geen praktijkervaring meer opdoen.