Probleemgestuurd onderwijs model Maastricht

werkvormen
Didactische informatie

De studenten krijgen een probleem aangeboden of een beschrijving van een bepaalde situatie, dat ze in een groep van 10 tot 12 studenten en onder leiding van een docent bespreken. Tijdens deze bespreking wordt nagegaan welke voorkennis er in de groep aanwezig is. Zo ontstaan aanknopingspunten waarbinnen naar aanvullende kennis kan worden gezocht. Nadat de leerdoelen werden geformuleerd, volgt een periode van zelfstandig studeren. Daarna komen de studenten terug samen om hun bevindingen aan elkaar mee te delen en onduidelijkheden uit te klaren.

Bouwstenen

Het gaat om een vorm van studentgecentreerd leren waarbij het verwerven van kennis met behulp van een probleemgestuurd model centraal staat. De aanwezige voorkennis van de student is het uitgangspunt voor het verder leren .
De benadering van een probleem confronteert de student met de aanwezige voorkennis en met de hiaten in die voorkennis om het probleem ten volle te kunnen begrijpen.
In kleine groepen van 10 tot 12 studenten wordt, samen met een docent, nagegaan wat de achterliggende aspecten van het probleem zijn. De onderwijsgroep probeert op basis van de voorkennis van de studenten een voorlopige analyse te maken van het probleem . De vragen die tijdens deze probleemanalyse naar voor komen vormen de basis voor het formuleren van leerdoelen voor zelfstudie .
Tussen twee groepsbijeenkomsten (enkele dagen) werken studenten individueel of in groep aan de zelf geformuleerde leerdoelen door het lezen en bestuderen van artikels, boeken, CD-roms, het zoeken op internet, etc. In een volgende groepsbijeenkomst rapporteren de studenten aan elkaar wat ze bestudeerd hebben en formuleren ze hun inzichten omtrent de geformuleerde leerdoelen. Op die manier gaan ze na of zij het probleem nu beter kunnen begrijpen.

Probleemgestuurd leren wordt gekenmerkt door drie essentiële kenmerken :

  1. probleemoplossend leren;
  2. zelfsturend en actief leren;
  3. coöperatief leren.

 

Waaruit bestaat het?

Binnen probleemgestuurd onderwijs moet de student zich een aantal vaardigheden eigen maken:
- het analytisch benaderen van een probleem(taak) via de methode van de zevensprong;
- het samenwerken in kleine onderwijsgroepen;
- de structuur van probleemgestuurd onderwijs.

Probleemtaak

De studenten worden geconfronteerd met een probleemtaak, 'een min of meer neutrale beschrijving van een aantal verschijnselen of gebeurtenissen, die in een zekere relatie met elkaar lijken te staan' (Moust et.al. 1997).

In het model Maastricht wordt een probleem, al dan niet uit de toekomstige beroepspraktijk, vanuit een vakoverstijgende visie benaderd. Er kan ook met diverse soorten probleemtaken (zie steekkaart 'Probleemtaken') gewerkt worden.

De methode van de zevensprong Model Maastricht

Tijdens de voorbespreking van een probleemtaak worden de eerste vijf fasen van de zevensprong (zie didactische fiche 'zevensprong') doorlopen. Daarna volgt een moment van zelfstudie en rapportage.
Fase 1: begrippen verhelderen.
Fase 2: probleemstelling formuleren.
Fase 3: probleemstelling analyseren / brainstormen.
Fase 4: probleemanalyse systematisch inventariseren.
Fase 5: leerdoelen formuleren.
Fase 6: zelfstudie.
Fase 7: rapportage - nabespreking.

Deelnemen aan de onderwijsgroep

In probleemgestuurd onderwijs wordt in kleine groepen van 10 tot 12 studenten gewerkt. De wijze waarop in groep wordt gewerkt, m.a.w. hoe studenten met elkaar omgaan, is belangrijk.

Structuur Model Maastricht
 

In probleemgestuurd onderwijs Model Maastricht komen studenten doorgaans tweemaal per week samen met hun onderwijsgroep. Tijdens elke samenkomst wordt er gerapporteerd over het vorige probleem en wordt er een nieuw probleem aangepakt. Er wordt gedurende 6 weken gewerkt rond een bepaald blok/thema. Parallel met probleemgestuurd onderwijs kunnen ook nog practica, vaardigheidstrainingen en hoorcolleges gegeven worden. Op het einde van een blok van 6 weken volgt een evaluatiemoment.
Per blok is er een blokboek samengesteld, waarin alle taken (probleembeschrijvingen) zijn opgenomen, hierin worden o.a. ook de te behalen doelstellingen geëxpliciteerd.

De structuur die hier beschreven wordt, is deze van het Maastrichts model. Probleemgestuurd onderwijs kan echter op diverse wijze ingebouwd of gestructureerd worden in het curriculum.

Waarom inzetten

In probleemgestuurd onderwijs leert de student problemen analytisch te benaderen .

In probleemgestuurd onderwijs Model Maastricht maakt de student zich de vaardigheid eigen om problemen, al dan niet uit de toekomstige beroepspraktijk, vanuit een vakoverstijgende visie te benaderen. De kennis wordt bijgevolg geleidelijk opgebouwd vanuit verschillende invalshoeken en zal hierdoor veel beter bijblijven dan wanneer de student vakken los van elkaar gaat studeren.

Probleemgestuurd onderwijs confronteert de student met zijn aanwezige voorkennis en met de hiaten in zijn kennis over een bepaald probleem. Dit maakt dat de student kritisch staat tegenover zijn eigen leerproces. Probleemgestuurd onderwijs wil de student een attitude bijbrengen om zich te informeren en te verdiepen in datgene wat hij nog niet kent . Dit is een belangrijke attitude om bij te blijven in een snel evoluerende kennismaatschappij. Deze methode vraagt een grote zelfwerkzaamheid en zelfdiscipline bij de student. De informatie moet immers op korte termijn zelfstandig worden opgezocht en verwerkt.

Doordat de student zelf verantwoordelijk is voor zijn leerproces , neemt de intrinsieke motivatie tot leren toe. Het dieper ingaan op een probleem via discussie en uitwisselen van informatie wakkert deze intrinsieke motivatie nog aan.

Door de evolutie in kennis, inzichten en technieken worden er voortdurend andere eisen gesteld in het beroepsleven. Bijblijven in je vak/vakgebied is bijgevolg zeer belangrijk. In probleemgestuurd onderwijs leert de student van bij de aanvang van zijn opleiding hoe hij nieuwe kennis snel en efficiënt kan opzoeken en zelfstandig kan verwerven .

De discussies in de onderwijsgroep bevorderen de communicatievaardigheid en de vaardigheid om samen te werken met anderen . Dit aspect kan zeker nuttig zijn in het latere beroepsleven.

Door een beurtrol bij het opnemen van functies in de onderwijsgroep (zie steekkaart 'Onderwijsgroep'), leert de student verantwoordelijkheid op te nemen.

Tips & valkuilen

Tips voor docenten bij het schrijven van een taak/probleemstelling :

  • zorg dat de studenten in de onderwijsgroep zinvol met een dergelijke taak kunnen werken;
  • zorg dat er leerdoelen uit deze taak komen die overeenstemmen met de doelstellingen van het blok.

Als alle studenten op hetzelfde moment dezelfde literatuur willen doornemen en CD-roms bekijken, dan is er duidelijk een probleem voor de mediatheek . Dit kan opgelost worden door:

  • meerdere exemplaren van bepaalde werken en CD-roms aan te kopen in de mediatheek;
  • de student aan te raden om bepaalde standaardwerken aan te kopen;
  • belangrijke en nuttige artikels vooraf te kopiëren en in een bundel aan de studenten aan te bieden.

De leerstijl van de student kan bepalend zijn voor het zich al of niet goed voelen bij deze manier van leren. Het goed opvolgen van studenten via studiebegeleiding is hierbij zeer belangrijk, bijvoorbeeld advies geven in verband met studieomgeving, planning, materiaalverwerking, etc.

De studenten slagen er bij de aanvang niet altijd in om hun leerdoelen duidelijk af te bakenen. Dikwijls worden deze leerdoelen te breed geformuleerd waardoor het nauwelijks haalbaar is om deze informatie in de beperkt opgelegde tijd te verwerken. De docent moet erover waken dat de studenten de leerdoelen duidelijk afbakenen .

Typisch voor een zelfstudieactiviteit binnen probleemgestuurd onderwijs is het feit dat de student vanuit een bepaalde vraagstelling de leerstof gaat bestuderen. Vermits er verschillende leerbronnen geraadpleegd worden, is er niet onmiddellijk een duidelijke samenhang in de leerstof die wordt verwerkt .
Tip voor de student: probeer tijdens de zelfstudie structuur aan te brengen in de leerstof door zaken neer te schrijven en door schema's te maken.
Tip voor de docent: door in de onderwijsgroep bepaalde vragen te stellen kan de docent de studenten dwingen om hoofd- en bijzaken van elkaar te onderscheiden en verbanden te leggen.

Relevante literatuur

Moust, J.H.C., Bouhuijs, P.A.J., & Schmidt, H.G. (1989). Probleemgestuurd leren een wegwijzer voor studenten. Groningen: Wolters-Noordhoff, 95 p. (Hoger Onderwijs Reeks).

Moust, J.H.C., Bouhuijs, P.A.J., & Schmidt, H.G.(1997). Probleemgestuurd leren. Hoger Onderwijs Reeks, Wolters-Noordhoff bv, Groningen.

Moust, J., & Schmidt, H. 'Probleemgestuurd leren: een krachtige leeromgeving'. In VELON: Tijdschrift voor lerarenopleiders, 16de jaargang, nr 4, 1995, p. 40-54.

Schmidt, H.G., & Moust, J.H.C. (1998). Probleemgestuurd onderwijs: praktijk en theorie. Wolters Noordhoff, 297 p. (Hoger Onderwijs Reeks).

Dochy, F., Heylen, L., & Van De Mosselaer, H. (2000). Coöperatief leren in een krachtige leeromgeving. Handboek probleemgestuurd leren in de praktijk. Leuven: Acco, 152 p.

Van Til, C., & Van Der Heijden, F.(1998). Studievaardigheden PGO, een overzicht. productie: datawyse / universitaire pers, Maastricht.

Doelstellingen: 
kennis
Werkvormen: 
PGO
Groepsgrootte: 
0 tot 5
5 tot 20
20 tot 50
50 tot 100
meer dan 100