Studentopleiders ter ondersteuning van het oefenen van technische vaardigheden door studenten geneeskunde
Algemene info
Geneeskundestudenten oefenen technische vaardigheden in onder begeleiding van ouderejaars, de studentopleiders. Op die manier kan elke student meer uren begeleid oefenen dan wanneer enkel de docent en de assistenten begeleiding verzorgen. Studenten blijken beter te scoren op de evaluatie dan voor het invoeren van dit systeem.
Doelstellingen
-
een lichamelijk onderzoek uitvoeren van hart, longen, abdomen en ledematen
-
een stethoscoop gebruiken
-
een palpatie uitvoeren
-
een ausculatie uitvoeren
-
een percussie uitvoeren
-
een anamnese uitvoeren
-
inspuitingen klaarmaken en geven
-
een venapunctie uitvoeren
-
een blaassondage uitvoeren
-
hechten
-
basic life support en cardio pulmonaire rescucitatie uitvoeren
-
wonden verzorgen
-
een perifere IV catheter plaatsen
- een gynaecologisch onderzoek uitvoeren
Men onderscheidt 4 verschillende niveaus waarop studenten de vaardigheden beheersen :
- Alleen theorie: de student beschikt over de theoretische kennis over de vaardigheid (principe, (contra-)indicatie, belasting, uitvoering, complicaties).
- Gezien/demonstratie: de student beschikt over theoretische kennis over de vaardigheid en kan er een mentale voorstelling van de uitvoering ervan maken op basis van de demonstratie.
- Toepassen/uitvoeren: de student beschikt over de theoretische kennis over de vaardigheid, heeft de uitvoering gedemonstreerd gekregen en heeft de vaardigheid tenminste enkele malen onder supervisie zelf uitgevoerd. De student beheerst de vaardigheid op een beginnersniveau.
- Routine: de student heeft routine in het toepassen en uitvoeren van de vaardigheid.
Binnen het opleidingsonderdeel technische vaardigheden wordt ernaar gestreefd dat de studenten de vaardigheid op een beginnersniveau beheersen (niveau 3) en de theoretische achtergrond ervan kennen. Het niveau van de routine moeten studenten bereikt hebben na het stagejaar (laatste opleidingsjaar). Op dat moment wordt niet alleen de theoretische kennis en vaardigheid als zodanig getoetst. De stationsproeven die de studenten dan afleggen zijn veel complexer. Ze veronderstellen dat de studenten op een geïntegreerde manier klinisch kunnen redeneren.
Leerinhouden
De leerstof omvat de aspecten die horen bij de vaardigheden die in de opleiding geneeskunde op het programma staan. In de eerste bachelor wordt geoefend op 'verpleegvaardigheden'. Aan de orde komen o.a.: het klaarmaken en toedienen van inspuitingen, het uitvoeren van een venapunctie, het verzorgen van wonden. In de eerste master staan vaardigheden centraal die studenten voorbereiden op hun stage in de operatiezaal. Het hechten van wonden, uitvoeren van een blaassondage en het plaatsen van catheters komen o.a. aan bod. Het oefenen van de vaardigheden wordt steeds ingebed in een theoretische introductie en demonstratie.
Leeractiviteiten van de studenten:
-
de theoretische duiding en de demonstratie, onder leiding van het didactisch team volgen
-
de leerinhouden m.b.v. Toledo (elektronische leeromgeving) verwerken: het beeldmateriaal bekijken en de elektronische kennistoets maken
-
de concrete toepassing van de vaardigheden in kleine groep inoefenen, onder leiding van de studentopleiders.
1. Werkvorm
Om de studenten de vaardigheden aan te leren, werkt men met colleges enerzijds en vaardigheidssessies anderzijds.
In de eerste bachelor nemen de colleges alles samen 4 uur in beslag. De studenten krijgen in grote groep (n=80) een theoretische duiding en demonstratie door de docent. In de loop van het tweede semester wordt 2 uur ingegaan op wondverzorging. Vlak voor de verpleegstage in de zomer krijgen de studenten nog eens 2 uur les over andere verpleegvaardigheden.
In de eerste master wordt 10 uur college verzorgd. Deze colleges worden in één week ingepland en verzorgd voor groepen van zowat 12 studenten. De theoretische duiding en demonstratie van vaardigheden die nodig zijn voor de stage op de operatiezaal staan centraal.
Zowel voor de bachelor als voor de master oefenen de studenten naast deze colleges onder begeleiding van de docent en de assistenten in groepjes van 10 studenten verplicht één uur in het vaardighedencentrum op het concreet toepassen van de aangebrachte technieken. Daar bovenop kan elke student facultatief zoveel oefenmomenten in het vaardigheidscentrum 'boeken' als hij zelf wenst. Deze oefenmomenten worden begeleid door de studentopleiders. Er worden opnieuw maximum 10 studenten op deze oefenmomenten toegelaten.
2. Ondersteuning
De docent en de assistenten begeleiden de studenten tijdens de colleges en eerste inoefening van de vaardigheden. Daarna nemen de studentopleiders de begeleiding van de vaardigheidstraining over. De studentopleiders zijn in het vaardighedencentrum aanwezig wanneer de studenten uit vrije wil komen oefenen. Zij geven de studenten feedback op de wijze waarop ze de vaardigheden toepassen.
Om de kwaliteit van de begeleiding te garanderen, worden de studentopleiders zorgvuldig geselecteerd, opgeleid en opgevolgd door de vaardigheidscoördinator. Bij de selectie wordt rekening gehouden met de motivatie van de studenten en hun bekwaamheid in het uitvoeren van de vaardigheden. Dit laatste neemt niet weg dat de studentopleiders zelf opnieuw een opleiding van 2 uur krijgen voor de vaardigheid die ze zullen begeleiden. Er wordt naar gestreefd dat de studentopleiders de vaardigheden die ze begeleiden ten minste op niveau 3, beter nog op niveau 4 beheersen. Daarnaast wordt tijdens een seminarie van 2 uur ook ingegaan op de wijze waarop zij de studenten het best kunnen begeleiden. Belangrijke aandachtspunten voor de begeleiding zijn samen gebracht in een handleiding. Tenslotte worden de studentopleiders tijdens de eerste 2 uur begeleiding die ze verzorgen geobserveerd door een ervaren studentopleider die achteraf feedback geeft op hun aanpak. De studentopleiders bieden elk 12 uur begeleiding gespreid over 2 jaren. Ze krijgen een vrijstelling voor de elektronische kennistoets en één keuzetopic van 3 uur in het eerste en tweede masterjaar.
3. Materiaal
Tijdens de oefensessies staan medisch materiaal (een gynaecologisch bekken), oefenmateriaal (een prikarm) en modellen (poppen) ter beschikking.
De studenten kunnen op de elektronische leeromgeving (Toledo) beeldmateriaal (foto's) en videos bekijken.
De studenten kunnen op Toledo de elektronische kennistoets inoefenen.
De studenten beschikken over een een cursus over medische vaardigheden.
Het opleidingsonderdeel technische vaardigheden staat geprogrammeerd in de eerste bachelor en de eerste master. De studenten worden geëvalueerd in de tweede master. Door de evaluatie dan in te plannen hebben de studenten ruim de mogelijkheid om de concrete toepassing van de vaardigheden in het vaardighedencentrum in te oefenen. Bovendien hebben de studenten in hun stagepraktijk (verpleegstage, prestage huisartsgeneeskunde) de vaardigheden ook in vivo, zij het onder supervisie moeten toepassen.
De evaluatie bestaat uit een elektronische kennistoets en uit een praktisch gedeelte. Slagen op de kennistoets functioneert als voorwaarde om aan het praktische gedeelte te mogen deelnemen.
De kennistoets wordt aangeboden via het elektronisch leerplatform. De toets bestaat uit 20 vragen die peilen naar de kennis over vaardigheden. De vragen worden at random geselecteerd uit een databank van 140 vragen. Het zijn meerkeuzevragen of invulvragen. De studenten moeten de vragen oplossen binnen de 5 minuten en ze mogen maar één fout antwoord geven. Als ze niet slagen, moeten ze de toets opnieuw maken totdat het resultaat in orde is om te mogen deelnemen aan de praktische vaardighedentoets.
Het praktisch gedeelte bestaat uit een vaardighedentoets van een aantal stations. Een steekproef van 7 vaardigheden komt aan bod. De tijd om elk station af te werken is beperkt tot telkens 6 minuten. Studenten worden geobserveerd en gescoord door een docent. Men verwacht geen routine maar het bewijs dat de student bewust weet waar hij/zij mee bezig is. Een foute handeling wordt niet afgestraft als de student deze tijdens de opdracht herkent, benoemt en eventueel herstelt. Er wordt veel aandacht besteed aan hygiëne en steriliteit.
De beoordeling berust op een pass-fail systeem. Als de student niet slaagt voor twee stationsproeven, moet hij de praktische toets opnieuw afleggen. In deze herkansing worden de stationsproeven waarvoor de student niet slaagde in elk geval opnieuw opgenomen. Indien de student dan nog niet slaagt, wordt hij geremedieerd door de docent van de betrokken vaardigheid een halve dag tijdens de patiëntenconsultatie bij te staan. Achteraf kan hij dan opnieuw de praktische toets afleggen.
Reflecties Studenten:
De studenten die deze vorm van onderwijs volgen:
-
90% vindt deze begeleiding noodzakelijk
-
50% twijfelt soms of de studentopleiders de vaardigheden op de juiste manier aanleerden
- ze bevestigen het gevoel van de studentopleiders dat de studenten onvoldoende voorbereid naar de sessie komen
De studentopleiders:
De studenten zijn unaniem positief: het is een rijke ervaring waarbij je een unieke kans krijgt om zelf op een geavanceerde manier bij te leren; het is verrijkend om te leren hoe je iemand iets aanleert... Ze vragen meer toetsing van de eigen competentie en de helft wil meer uren begeleiding geven.
Reflecties Docent:
Sinds de inschakeling van studentopleiders, worden 880 extra begeleide oefenuren geboden. Dit betekent 50% meer dan voorheen. De begeleiding is intenser. Elke student kan gemiddeld, als hij het wenst, 4 uur begeleiding krijgen tegenover 1 à 2 uur vroeger.
De kwaliteit van de begeleiding door de studentopleiders is bevredigend. De resultaten op de toets zijn beter dan voordien.
Er wordt van de studenten uitdrukkelijk verwacht dat zij zelf hun verantwoordelijkheid opnemen om oefenmomenten in te plannen. Sommige studenten blijken het daar moeilijk mee te hebben.
Met betrekking tot de oefenmomenten zelf stelt de vaardigheidscoördinator wel vast dat er een positieve evolutie merkbaar is: de studenten bereiden zich steeds beter voor zodat ze het maximum uit het oefenmoment kunnen halen.